25. Euregionale rampenbestrijding en crisisbeheersing: EMRIC.

Auteur: Wesley Jongen.

Datum: 24-10-2019.

In een grensgebied zoals Zuid-Limburg, wordt er bij een ongeval vlak bij de grens nogal eens een Duitse of Belgische ambulance ingezet, of helpen brandweerkorpsen uit de verschillende landen elkaar bij grote calamiteiten. We staan er vaak niet bij stil, maar deze grensoverschrijdende inzet van hulpdiensten is allerminst vanzelfsprekend. Achter de schermen werkt het samenwerkingsverband EMRIC (Euregio Maas-Rijn Incidentbestrijding en Crisisbeheersing) hard aan het in stand houden van deze Euregionale samenwerking. Ik sprak met Marian Ramakers, programmamanager van EMRIC, over het succesverhaal dat EMRIC in de loop der jaren is geworden, maar ook over de voortdurende uitdagingen waar men in de praktijk tegenaan loopt.

Wat is EMRIC precies?

“EMRIC is als samenwerkingsverband van overheidsdiensten verantwoordelijk voor brandweerzorg, technische hulpverlening, spoedeisende zorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing in de Euregio Maas-Rijn. Concreet hebben we het dan over de Brandweer van de stad Aken, het Ordnungsamt van de Kreis Heinsberg, het Ordnungsamt van de Städteregion Aachen in Duitsland, de Provincies Limburg en Luik in België en de Veiligheidsregio en GGD Zuid-Limburg in Nederland. Naast deze zeven kernpartners werken er nog ruim 30 diensten en overheden samen met het EMRIC samenwerkingsverband. Bij de EMRIC-partners en haar netwerk werken circa 50.000 hulpverleners in de EMR. Directe doelgroep van EMRIC zijn de burgers, toeristen en passanten van de Euregio Maas-Rijn.”

Hoe is EMRIC ontstaan?

“De samenwerking is in 1974 ontstaan vanuit een evidente behoefte. De traumahelikopter, toen nog van de Duitse Bundeswehr, werd gestationeerd net over de grens in Duitsland. Ambulances zochten wel eens de ‘buren’ op. En ook brandweerkorpsen aan de grens kenden elkaar over en weer. Zo ontstond er een stuurgroep van mensen die vonden dat we ook concreet iets met elkaar moesten gaan afspreken. In Nederland, maar ook in de aan ons grenzende landen Duitsland en België, haalt men bij grote ongevallen en rampen hulp uit de buurregio’s. Voor Zuid-Limburg (met 98% buitenlandgrens) is dit dus hulp uit Duitsland en België. Zo is het aanvankelijke Interreg gefinancierde EMRIC project ontstaan, met als doel in eerste instantie het bouwen van een overlegplatform, waarin je vervolgens met elkaar concrete afspraken en plannen kunt maken met betrekking tot Euregionale rampenbestrijding.”

Een vervolg kwam er in de vorm van EMRIC+ (eveneens Interreg gefinancierd), waarmee men verder ging dan het oorspronkelijke EMRIC-project en ook naar thema’s als infectieziekten en biologische & chemische dreigingen (zoals antrax) keek. “Omdat we niet meer afhankelijk wilden zijn van subsidie, is na afloop van EMRIC+ het vaste samenwerkingsverband EMRIC ontstaan. Toen is ook de keuze gemaakt om niet alleen rampenbestrijding, maar ook de dagelijkse zorg onderdeel van de samenwerking te laten zijn. Het zijn immers grotendeels dezelfde partners. Ook is er besloten de samenwerking te laten coördineren en faciliteren door een klein bureau, het EMRIC-bureau. Eén van de producten in deze fase was bovendien de bestendigheid van de samenwerking.”

Welke interessante voorbeelden van grensoverschrijdende inzet zijn er te noemen?

“We hebben sowieso meer dan 1.000 grensoverschrijdende inzetten per jaar, 1.247 in 2018 om precies te zijn. Daarnaast is er sprake van grensoverschrijdende informatievoorziening bij ongevallen en (grotere) incidenten en ook in het kader van infectieziekten. We lopen hier vaak wel tegen cultuurverschillen aan (wat ziet men als een bedreiging voor milieu en volksgezondheid en wat niet). Een voorbeeld: een rookwolk, ontstaan in een van de deelgebieden van de EMR bereikt al snel het buitenland. Burgers bellen 112 met vragen. Als de meldkamers elkaar niet zouden informeren, zouden antwoorden aan burgers niet gegeven kunnen worden en zou de onrust toenemen.”

Wordt er door hulpverleners ook gezamenlijk getraind?

“We hebben een vaste tweejaren oefencyclus met daarin oefeningen voor de meldkamers, oefeningen voor de crisisstaven en op 9 november 2018 heeft er nog een hele grote ‘wielen-op-de-weg-oefening plaatsgevonden’.” Ook worden er bestuurlijke oefeningen georganiseerd, want niet alleen de hulpverleners ‘in het veld’, maar ook bestuurders moeten elkaar weten te vinden wanneer het op Euregionale rampenbestrijding aan komt. Sterker nog: ze hebben wettelijke taken en zijn eindverantwoordelijk. “Maar, hoewel er dus regelmatig wordt geoefend zijn de vele inzetten natuurlijk de beste oefening”, benadrukt Ramakers.

Daarnaast worden er door EMRIC opleidingen verzorgd, voor iedereen die te maken heeft met grensoverschrijdende hulpverlening. Het Interreg EMR project IKIC (International Knowledge & Information Centre), dat op initiatief van EMRIC gestart is, is er op gericht om hiervoor e-learning modules te ontwikkelen, want het is natuurlijk best lastig om vrijwilligers en professionals vanuit verschillende landen klassikaal samen te brengen. En alhoewel IKIC zich in eerste instantie richt op de hulpverlener, is het mooi meegenomen als ook de burger wordt bereikt, benadrukt Ramakers. Een onderdeel van het opleidingsprogramma betreft dan ook een stukje burgereducatie, bijvoorbeeld door kinderen te leren brand blussen in een kinder-oefencentrum (Floriansdorf) in Aken.

Waarom is grensoverschrijdende samenwerking geen vanzelfsprekendheid? Welke uitdagingen komt u in de praktijk tegen?

“Om alles goed te regelen en de hulpverlener zijn werk te kunnen laten doen, zoals hij dat ook thuis doet, moesten er overeenkomsten tussen landen worden gesloten.” En alhoewel er bij rampen in principe nog wel heel veel kan, is dit bij dagelijkse zorg weer een heel ander verhaal. Uitdagend zijn ook de cultuurverschillen tussen landen. Er moest bijvoorbeeld worden gezorgd dat ook de meldkamers goed op elkaar werden afgestemd. Maar denk ook aan praktische verschillen: “Bij spoedeisende medische hulpverlening is er in België en Duitsland altijd een arts aanwezig, in Nederland niet.”

Wat merkt de burger van de aanwezigheid van EMRIC?

“Heel veel, maar ook heel weinig”, luidt het antwoord van Ramakers treffend paradoxaal. “Misschien ziet de burger een Duitse ambulance als hij of zij in bijvoorbeeld Vaals hulp nodig heeft, maar ziet niets van de organisatie van EMRIC zelf, die werkt veelal op de achtergrond. Maar dat maakt in een noodsituatie voor de meeste mensen ook helemaal niet uit, als je maar snel geholpen wordt. Dat mensen ongeacht waar ze wonen zo snel mogelijk adequate hulp krijgen, daar zorgt EMRIC voor.” Er zijn in het verleden wel eens meer ‘tastbare’ initiatieven genomen. Zo heeft er een tijdje een project gelopen rondom grensoverschrijdende samenwerking met zorgverzekeraars en bestond er een ‘Euregionaal zorgpasje’, memoreert Ramakers, maar dat is helaas inmiddels weer weg.

Wat zijn de doelstellingen van EMRIC voor de komende jaren?

“Het sterke van EMRIC is dat er continuïteit in zit”, benadrukt Ramakers. In het Meerjarenbeleidsplan van 2019-2024 wordt er dan ook vooral ingezet op het verder bestendigen van de samenwerking. “Dit is misschien niet zo spannend voor de burger, maar wel belangrijk.”

Bedankt voor het lezen en mocht u vragen of opmerkingen hebben, aarzel dan niet om ons te contacteren.